Datum: 12-01-2026
Waarom dit beleidsdogma blijft bestaan terwijl iedereen weet dat het niet genoeg is
Er is een zin die in vrijwel elke raadsvergadering, beleidsnota of inspraakavond terugkomt zodra het over zonneparken gaat: eerst de daken vol. Het klinkt logisch, redelijk en bijna moreel superieur. Wie kan er immers tegen zijn om eerst ongebruikte daken te benutten voordat we het landschap “opofferen”? Precies daarin schuilt de kracht van de zin. En precies daarin schuilt het probleem.
Want hoe vaak hij ook wordt herhaald, hij klopt niet. Niet technisch, niet energetisch en niet in de dagelijkse praktijk van de energietransitie. Toch blijft het adagium overeind als een hardnekkig beleidsdogma waar niemand werkelijk verantwoordelijkheid voor neemt. Dit is geen pleidooi tegen zonnepanelen op daken. Integendeel. Dit is een pleidooi tegen het doen alsof daken voldoende zijn, terwijl iedereen die zich serieus met energie bezighoudt weet dat dat niet zo is.
De aantrekkingskracht van “eerst de daken vol” zit in de schijn van redelijkheid. Het suggereert zorgvuldig ruimtegebruik, bescherming van het buitengebied en een ordelijke volgorde. Voor bestuurders is het een comfortabel vertrekpunt: wie zich achter deze zin verschuilt, hoeft geen keuzes te maken en hoeft vooral niet te benoemen wat er daarna komt. Maar een slogan die logisch klinkt, is nog geen strategie. En wie beter kijkt, ziet dat het dakpotentieel structureel wordt overschat en systematisch wordt oversold. Niet omdat mensen slecht rekenen, maar omdat er zelden echt wordt doorgerekend.
In theorie beschikt Nederland over een enorme hoeveelheid dakoppervlak. In theorie kun je daar een groot deel van onze zonnestroom op kwijt. In de praktijk lopen we echter tegen structurele grenzen aan die in beleidsstukken vaak worden genegeerd. Veel bedrijfs- en agrarische daken zijn constructief simpelweg niet berekend op extra belasting. Versterken kan, maar kost tijd en geld en is lang niet altijd rendabel. Daarnaast is er het probleem van eigendom en zogenoemde split incentives: de eigenaar van het dak is niet altijd de gebruiker en de investeerder is niet altijd degene die profiteert. Dat maakt besluitvorming traag of zelfs onmogelijk.
Daar komt netcongestie bij. Juist daken liggen vaak op plekken waar het elektriciteitsnet al overbelast is. Grootschalige dakprojecten stranden daardoor regelmatig op transportbeperkingen, terwijl dit bij goed gekozen zonneparken soms beter oplosbaar is. Tot slot is er de versnippering. Duizend losse daken van enkele honderden kilowatt leveren bestuurlijk, technisch en contractueel meer complexiteit op dan één zorgvuldig ingepast zonnepark van tientallen megawatt. Wie eerlijk rekent, ziet al snel dat daken belangrijk zijn, maar niet schaalbaar genoeg om de opgave te dragen die we onszelf hebben opgelegd.
Het meest ongemakkelijke aan dit alles is dat vrijwel iedereen dit weet. Binnen ministeries, provincies, netbeheerders en adviesbureaus wordt het al jaren zonder omwegen uitgesproken. In vertrouwelijke memo’s en technische overleggen is men helder: alleen daken gaat het niet worden. Maar in het publieke debat blijft het mantra overeind. Niet uit onwetendheid, maar uit terughoudendheid. Want wie hardop erkent dat daken niet genoeg zijn, moet ook de vervolgvraag beantwoorden: waar dan wel?
Die vraag leidt onvermijdelijk naar landbouwgrond, open landschap, eigendom en lokale weerstand. Dat zijn politiek lastige onderwerpen. “Daken eerst” fungeert daarmee als uitstelmechanisme. Het schuift de echte discussie vooruit, terwijl de energiedoelen onverminderd doorlopen.
Opvallend is bovendien hoe selectief het argument wordt toegepast. Distributiecentra langs snelwegen, datacenters en logistieke dozen van honderden meters lang verschijnen vrijwel zonder maatschappelijk debat. Nieuwe bedrijventerreinen worden royaal ingepast en zelden ter discussie gesteld. Maar zodra zonnepanelen zichtbaar worden in het buitengebied, verandert ruimte plots in iets heiligs. Dat is geen consequente ruimtelijke ordening, dat is esthetische politiek.
Wie eerlijk is over het Nederlandse landschap, moet erkennen dat het al eeuwen een productielandschap is. Voor voedsel, voor waterbeheer, voor infrastructuur en verstedelijking. Energie is daarin geen vreemde nieuwkomer, maar een logische volgende laag. Het probleem is niet dát we ruimte gebruiken, maar dat we selectief doen alsof sommige vormen daarvan moreel verdachter zijn dan andere.
Het grootste probleem van het dogma “eerst de daken vol” is uiteindelijk niet dat het onjuist is, maar dat het verlamt. Gemeenten nemen het op in beleid zonder door te rekenen wat het daadwerkelijk betekent. Provincies gebruiken het als randvoorwaarde zonder alternatieven te borgen. Projecten blijven hangen in principeverzoeken, terwijl de energietransitie geen pauze kent. Ondertussen kijkt iedereen naar elkaar: naar de markt, naar energiecoöperaties, naar Den Haag. Zo wordt “daken eerst” een excuus om geen keuzes te maken.
Een volwassen energiebeleid zou drie dingen tegelijk doen. Het zou maximaal inzetten op daken waar dat technisch en economisch logisch is, met echte ondersteuning, standaardisatie en versnelling in plaats van alleen woorden. Het zou erkennen dat grootschalige opwek op land noodzakelijk is en die vervolgens zorgvuldig, landschappelijk en participatief organiseren, in plaats van doen alsof het een noodgreep is. En het zou stoppen met doen alsof slogans oplossingen zijn, omdat beleid vraagt om cijfers, scenario’s en politieke moed.
“Eerst de daken vol” is geen strategie, geen oplossing en geen eerlijk verhaal. Het is een comfortabele mythe die iedereen kan herhalen zonder verantwoordelijkheid te nemen voor de consequenties. Wie de energietransitie serieus neemt, moet durven zeggen wat iedereen eigenlijk al weet: daken zijn nodig, maar niet genoeg. Zolang we dat niet hardop durven uitspreken, blijven we doen alsof de zon het probleem is, terwijl het echte probleem is dat we blijven wegkijken van de keuzes die zij van ons vraagt.
Type: blog Datum: 05-01-2026
Type: blog Datum: 02-01-2026
Type: blog Datum: 22-12-2025
Type: blog Datum: 18-12-2025