Blog 02-07-2026

Ontwikkelen

Ontwikkelen

Datum: 02-07-2026

Ik ontwikkel.

Dat is tegenwoordig mijn beroep. Ik ontwikkel zonneparken, windparken, batterijen en directe lijnen tussen producent en afnemer. Als de toekomst daarom vraagt, ontwikkel ik morgen een kleine modulaire kerncentrale. Ik ontwikkel niet omdat ik een bijzondere fascinatie heb voor staal, glas, silicium of beton, maar omdat ik geloof dat een samenleving alleen vooruitkomt als iemand bereid is ideeën te vertalen naar de werkelijkheid. Ontwikkelen is uiteindelijk niets anders dan het tastbaar maken van iets dat gisteren nog uitsluitend op papier bestond. Het object doet er bijna niet toe. Ik zou net zo goed woningen kunnen ontwikkelen, een bedrijventerrein of zelfs een asielzoekerscentrum. De essentie blijft dezelfde: iets bouwen dat er eerst niet was.

Toch is er één wezenlijk verschil tussen mijn vak en dat van iemand die software schrijft of een belastingwet bedenkt. Vrijwel alles wat ik ontwikkel, wordt zichtbaar. Een wijziging in de inkomstenbelasting ziet niemand. Een software-update verdwijnt geruisloos ergens achter een beeldscherm. Maar een windturbine van tweehonderdvijftig meter hoog laat zich niet verbergen. Zij staat er. Dag en nacht. In weer en wind. Wie haar eenmaal heeft gezien, vergeet haar niet meer. Misschien is dat ook precies de reden waarom duurzame energie zoveel emoties oproept. Niet omdat mensen massaal tegen duurzaamheid zijn, maar omdat duurzaamheid, anders dan veel andere politieke idealen, letterlijk een plek in het landschap opeist.

De afgelopen maanden merk ik dat ik steeds vaker terugdenk aan een gedachte die veel ouder is dan de energietransitie, ouder dan Nederland en zelfs ouder dan het christendom. Het bijzondere van die gedachte is dat zij in vrijwel iedere beschaving opnieuw opduikt, alsof de mensheid steeds opnieuw tot dezelfde conclusie kwam. De Romeinse keizer Alexander Severus zou volgens de overlevering de woorden Quod tibi fieri non vis, alteri ne feceris boven de ingang van zijn paleis hebben laten aanbrengen: Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Het is een zin die nauwelijks uitleg nodig heeft. Juist daarom is zij zo ongemakkelijk. Zij laat geen ruimte voor uitzonderingen, geen ontsnappingsroute voor het eigen gelijk en geen voetnoten waarin staat dat de regel tijdelijk niet geldt omdat het maatschappelijk belang nu eenmaal groter is.

In het Evangelie van Mattheüs krijgt diezelfde gedachte een andere, misschien nog wel radicalere vorm. Daar staat niet dat wij elkaar geen kwaad moeten doen, maar dat wij een ander actief moeten behandelen zoals wij zelf behandeld zouden willen worden: "Alles dan wat gij wilt dat de mensen u doen, doet gij hun ook aldus." Het lijkt een klein verschil in formulering, maar het is een wereld van verschil. Niet langer is het voldoende om schade te voorkomen; ineens ontstaat de opdracht om bewust het goede te doen. Om jezelf voortdurend af te vragen hoe jij behandeld zou willen worden als de rollen waren omgedraaid. Misschien is dat wel de vraag die ik mijzelf als ontwikkelaar steeds vaker stel.

Want stel dat er morgen iemand bij mij aanbelt. Niet met een collectebus of een enquête, maar met een stapel rapporten. Een milieueffectrapportage. Een landschappelijke analyse. Een participatieplan. Een businesscase. Hij vertelt mij dat tegenover mijn woning drie windturbines zullen verrijzen. Ze zijn noodzakelijk voor de energietransitie, zegt hij. Ze passen binnen het provinciale beleid. De geluidbelasting blijft ruimschoots binnen de normen. De slagschaduw voldoet aan alle wettelijke eisen. De ecologische effecten zijn zorgvuldig onderzocht. Sterker nog, hij laat zien dat de natuur er op onderdelen zelfs op vooruitgaat. Zijn verhaal is feitelijk juist. Iedere berekening klopt.

En toch weet ik bijna zeker dat mijn eerste reactie niet zou gaan over stikstof, megawatts of netcongestie. Ik zou hem waarschijnlijk vragen even mee naar buiten te lopen. Niet om hem ergens van te overtuigen, maar om hem te laten zien wat ik zie wanneer ik iedere ochtend de gordijnen open. Dat uitzicht is misschien niet bijzonder voor iemand die er voor het eerst staat. Voor mij is het de plek waar mijn kinderen hebben leren fietsen, waar mijn vrouw graag wandelt en waar de seizoenen zich ieder jaar opnieuw aandienen zonder dat iemand daarvoor een vergunning hoeft aan te vragen. Wat voor een ontwikkelaar een geschikte projectlocatie is, kan voor een ander de achtergrond van zijn leven zijn.

Misschien maken wij als samenleving daar soms een denkfout. Wij doen alsof de discussie over duurzame energie een botsing is tussen ratio en emotie, tussen feiten en gevoelens, tussen vooruitgang en behoudzucht. Maar zo eenvoudig is het niet. De meeste mensen die ik spreek begrijpen heel goed dat Nederland meer duurzame energie nodig heeft. Zij lezen dezelfde kranten als ik. Zij zien dezelfde berichten over een overvol elektriciteitsnet, over de elektrificatie van de industrie, over de groeiende vraag naar stroom en over de klimaatdoelen die steeds dichterbij komen. Zij weten dat elektriciteit niet vanzelf uit het stopcontact verschijnt. Ook zij begrijpen dat zonnepanelen, windturbines, batterijen en transformatorstations ergens moeten staan.

De vraag die zij stellen is zelden óf die energietransitie noodzakelijk is. De vraag is bijna altijd waarom zij precies hier moet plaatsvinden. Dat is een wezenlijk verschil.

Vanmorgen kopte RTL Nieuws dat Nederland veel meer zonne- en windenergie nodig heeft. Ik las het bericht zonder enige verbazing. Eigenlijk had de kop ook kunnen luiden dat Nederland veel meer ruimte nodig heeft. Want dat is waar de energietransitie uiteindelijk om draait. Niet alleen om elektriciteit, maar om ruimte. Ruimte voor windturbines. Ruimte voor zonnevelden. Ruimte voor batterijen. Ruimte voor kabels, transformatorstations, waterstofinstallaties en misschien straks ook kleine kerncentrales. Iedere maatschappelijke ambitie die wij hebben – of het nu gaat om duurzaamheid, woningbouw, landbouw, natuur of defensie – eindigt vroeg of laat op dezelfde kaart van Nederland. En die kaart is al eeuwen af.

Misschien is dat wel de grootste misvatting van onze tijd. Wij spreken over de energietransitie alsof zij vooral een technische opgave is. Alsof het probleem wordt opgelost zodra de juiste turbine is ontworpen of de efficiëntie van zonnepanelen nog enkele procenten stijgt. Maar techniek is zelden het grootste obstakel geweest. Wij weten hoe een windturbine werkt. Wij weten hoe een batterij werkt. Wij weten hoe wij een elektriciteitsnet moeten uitbreiden. Zelfs de technologie achter kleine modulaire kerncentrales ontwikkelt zich razendsnel. De echte uitdaging bevindt zich niet in de techniek, maar in de ontmoeting tussen mensen. Op het moment dat een abstract maatschappelijk belang de voordeur van een individuele bewoner bereikt, verandert een nationaal vraagstuk in een persoonlijk verhaal.

Juist daarom geloof ik steeds minder in de ontwikkelaar die uitsluitend met kaarten en modellen werkt. Natuurlijk zijn die noodzakelijk. Zonder onderzoeken, vergunningen en berekeningen ontstaat chaos. Maar geen enkele kaart vertelt wie er op een zomeravond over dat zandpad wandelt. Geen enkele businesscase laat zien waar iemand zijn overleden vader iedere zondag herdenkt. Geen enkele milieueffectrapportage beschrijft waarom een bepaald uitzicht voor iemand voelt als thuis. Dat zijn geen juridische argumenten. Dat zijn menselijke werkelijkheden. En wie die werkelijkheden negeert, zal misschien een vergunning krijgen, maar nooit vertrouwen winnen.

Daarom denk ik steeds vaker dat de Gulden Regel misschien wel de belangrijkste ontwerpregel is die wij als ontwikkelaars tot onze beschikking hebben. Niet omdat zij in een wetboek staat of omdat een rechter ernaar verwijst, maar omdat zij ons dwingt de eenvoudigste en tegelijkertijd moeilijkste vraag te stellen die er bestaat: hoe zou ik zelf behandeld willen worden als de rollen waren omgedraaid?

Misschien begint goede gebiedsontwikkeling niet met een kaart. Misschien begint zij met nieuwsgierigheid. Met het besef dat een landschap nooit leeg is, ook al lijkt het op papier nog zo onbenut. En misschien eindigt de energietransitie uiteindelijk niet met de laatste geplaatste windturbine of het laatste zonnepaneel, maar met de vraag of wij erin zijn geslaagd de samenleving onderweg niet uit elkaar te spelen. Want ontwikkelen is uiteindelijk niet de kunst om iets te bouwen.

Ontwikkelen is de kunst om iets toe te voegen, zonder onderweg te vergeten voor wie je eigenlijk bouwt.