Datum: 18-08-2026
Bij de bakker begrijpt iedereen hoe een wachtrij werkt. U pakt een nummer, kijkt naar het bord en ontdekt dat er nog zeven mensen voor u staan. Niemand belt een advocaat. Niemand organiseert een informatieavond. Niemand vraagt de provincie om een onafhankelijk onderzoek naar de maatschappelijke wenselijkheid van croissants. U wacht gewoon.
Maar zodra het over elektriciteit gaat, verandert iedere Nederlander in een gekrenkte aandeelhouder. We willen een zwaardere aansluiting, een warmtepomp, een laadplein, een batterij, een fabriek, twintigduizend woningen en liefst ook nog een datacenter dat de halve Noordzee nodig heeft om onze vakantiefoto’s te bewaren. En als de netbeheerder vervolgens zegt dat het niet past, kijken we alsof iemand zojuist persoonlijk het licht heeft uitgedaan.
Dat is misschien ook wel het probleem. We zijn elektriciteit gaan beschouwen als kraanwater. Je draait iets open en het komt eruit. Altijd, overal en in iedere gewenste hoeveelheid. Alleen is het stroomnet geen magische koperen oceaan. Het is een wegennet waarop iedereen tegelijkertijd wil rijden, terwijl we de afgelopen jaren vooral extra auto’s hebben verkocht en elkaar trots vertelden dat de toekomst elektrisch was. Niemand vroeg ondertussen waar al die auto’s precies moesten rijden. Dat zou de stemming maar bederven.
Sinds 1 juli 2026 heeft Nederland daarom iets ingevoerd wat jarenlang ondenkbaar leek: een officiële rangorde voor elektriciteit. In gebieden met netcongestie komen huishoudens, kleine ondernemers en grote bedrijven op één integrale wachtlijst. Wie vroeg was, is niet automatisch meer als eerste aan de beurt. De schaarse transportcapaciteit wordt verdeeld op basis van maatschappelijke prioriteit.
Eerst komen projecten die aantoonbaar ruimte op het elektriciteitsnet creëren. Daarna volgen functies die essentieel zijn voor onze veiligheid, zoals ziekenhuizen, defensie en noodhulpdiensten. Vervolgens komen basisbehoeften als woningbouw, onderwijs, telecommunicatie en openbaar vervoer. De rest mag wachten.
Dat klinkt hard, maar schaarste is altijd hard. We kunnen haar alleen netjes formuleren, in een beleidskader zetten en er een loket voor openen.
Overigens betekent prioriteit niet dat een project automatisch wordt aangesloten. De aanvrager moet met bewijsstukken aantonen dat hij werkelijk onder een prioriteitscategorie valt en de gevraagde capaciteit nodig heeft. Zelfs een ziekenhuis kan niet simpelweg met een stethoscoop bij de netbeheerder zwaaien en twintig megawatt meenemen. De noodzaak moet reëel zijn, het project uitvoerbaar en de capaciteit aantoonbaar nodig.
Dat is verstandig. Zodra de overheid een voorrangsdeur opent, ontstaat er namelijk een complete bedrijfstak van mensen die zichzelf door die deur proberen te schrijven. Dan wordt ieder distributiecentrum plotseling vitale infrastructuur, iedere commerciële batterij een reddingsboei voor het net en ieder datacenter essentieel voor de nationale veiligheid omdat ergens op een server een spreadsheet van het ministerie staat. Het stroomnet is gelukkig minder gevoelig voor PowerPoint dan de gemiddelde investeringscommissie.
Tot voor kort konden we nog doen alsof ieder duurzaam project automatisch een maatschappelijk goed project was. Een zonnepark was groen. Een batterij was slim. Een laadplein was vooruitgang. Een elektrische boiler was verduurzaming. Zet er een foto van een lachend kind, een bij en een blauwe lucht naast en de toekomst was weer gered.
Alleen trekt elektriciteit zich niets aan van onze bedoelingen. Een batterij krijgt niet automatisch voorrang omdat hij groot, glimmend en duurzaam klinkt. Hij moet aantoonbaar congestie verzachten. Dus niet opladen wanneer het net al uit zijn voegen barst en vervolgens ontladen wanneer de marktprijs toevallig aantrekkelijk is, maar niemand in het lokale netgebied extra elektriciteit nodig heeft. Een batterij moet zich gedragen als onderdeel van het energiesysteem, niet als een handelaar die toevallig een zeecontainer vol cellen heeft gekocht.
Dat onderscheid wordt bepalend, want batterijen zijn geen heilige voorwerpen. Ze kunnen het net ontlasten, maar ook belasten. Een batterij die wordt aangestuurd op basis van landelijke handelsprijzen kan lokaal precies op het verkeerde moment gaan laden. Financieel slim, technisch irritant. Alsof iemand tijdens de avondspits besluit met een verhuiswagen rondjes over de ring te rijden omdat de diesel toevallig goedkoop is.
De energietransitie ging de afgelopen vijftien jaar vooral over productie. Meer zonnepanelen, meer windmolens, meer megawatt en meer groene vinkjes in presentaties waarin iedere pijl naar rechtsboven wees. We telden graag hoeveel huishoudens theoretisch van stroom konden worden voorzien, ook wanneer die huishoudens op het moment van productie helemaal niet op die elektriciteit zaten te wachten.
Een zonnepark kan op papier genoeg stroom produceren voor duizenden huishoudens en op een zonnige zondagmiddag toch ongeveer even bruikbaar zijn als een parasol tijdens een storm. De elektriciteit is er wel, maar niet noodzakelijk op de juiste plaats, op het juiste moment of in de juiste hoeveelheid. Het gaat daarom niet langer alleen om hoeveel energie we produceren. Het gaat om waar, wanneer, voor wie en door welke kabel.
Dat vraagt om een ander soort projectontwikkeling. Een zonnepark dat rechtstreeks een nabijgelegen fabriek kan beleveren, kan meer systeemwaarde hebben dan een zonnepark dat zijn volledige productie op een overvol openbaar net probeert te duwen. Een windpark dat wordt gecombineerd met flexibel verbruik, opslag en een passende aansluiting is interessanter dan een project dat uitsluitend probeert zoveel mogelijk megawatt door één kabel te persen.
Een bedrijf dat een deel van zijn productieproces kan verschuiven naar momenten waarop veel duurzame elektriciteit beschikbaar is, lost soms meer op dan een nieuwe transformator. Een energiehub waarin meerdere bedrijven hun productie, verbruik en transportcapaciteit op elkaar afstemmen, kan meer waarde creëren dan tien afzonderlijke aansluitingen waarbij iedereen zijn eigen maximale piek reserveert voor die ene dinsdagochtend in februari waarop alles tegelijk aanstaat.
We hebben elektriciteitscapaciteit jarenlang behandeld als een hotelhanddoek bij het zwembad. Iedereen legt er vroeg in de ochtend eentje neer. Bijna niemand gebruikt hem de hele dag. Maar waag het niet hem weg te halen.
Die tijd loopt af. Netcapaciteit is geen bezit dat je voor de zekerheid in een la legt. Het is schaarse infrastructuur die steeds nadrukkelijker moet worden gebruikt waar zij de meeste maatschappelijke en economische waarde oplevert.
Vanaf 1 oktober 2026 kunnen gemeenten bovendien al vroeg in het planproces transportcapaciteit aanvragen voor onder meer woningbouw. Dat is begrijpelijk. Een woonwijk zonder elektriciteit is tegenwoordig niet eens een Vinex-wijk, maar een verzameling dure tenten met vloerverwarming op papier.
Het betekent echter ook dat de verdeling van elektriciteit steeds nadrukkelijker onderdeel wordt van ruimtelijke ordening en bestuurlijke besluitvorming. Gemeenten moeten bepalen welke woningbouwprojecten als eerste worden voorgedragen. Zij moeten daarvoor transparante en objectieve regels opstellen, dossiers beoordelen en motiveren waarom het ene project eerder in aanmerking komt dan het andere. Netbeheerders toetsen vervolgens of aan de voorwaarden voor prioriteit is voldaan.
De locatie van een transformatorstation kan daardoor meer invloed krijgen op de woningbouw dan een verkiezingsprogramma van vijftig pagina’s. Gemeenteraden kunnen duizenden woningen beloven, projectontwikkelaars kunnen prachtige buurten tekenen en wethouders kunnen feestelijk een eerste paal in de grond slaan, maar zonder transportcapaciteit blijft de slimme wijk vooral heel slim op papier.
Dat heeft grote gevolgen voor ondernemers en investeerders. Een grondpositie, vergunning of subsidiebeschikking zegt steeds minder wanneer een project geen geloofwaardige energiestrategie heeft. Een businesscase die eindigt met de zin ‘netaansluiting nader te bepalen’ is geen businesscase. Het is een verlanglijstje met een rendement onderaan.
Toch worden nog altijd projecten ontwikkeld alsof de aansluiting een technische bijlage is die later wel door iemand wordt opgelost. Eerst wordt het terrein gekocht. Dan worden de panelen ingetekend. Daarna wordt een subsidie aangevraagd. Vervolgens belt iemand de netbeheerder en ontdekt het gezelschap dat er de komende jaren geen ruimte is.
Dat is ongeveer hetzelfde als eerst een hotel bouwen en daarna informeren of er een weg naartoe loopt. Ook banken en investeerders zullen anders moeten kijken. Niet alleen naar het geïnstalleerde vermogen en de verwachte gemiddelde stroomprijs, maar naar het volledige productie- en verbruiksprofiel. Wanneer wordt elektriciteit geproduceerd? Wanneer wordt zij afgenomen? Welke pieken ontstaan? Kan productie worden teruggeregeld? Is er een directe afnemer? Wat doet de batterij in werkelijkheid? Welke transportrechten bestaan er en welke voorwaarden horen daarbij? Wie draagt het profielrisico, wie betaalt de onbalans en wat gebeurt er bij negatieve stroomprijzen?
De kabel wordt belangrijker dan het paneel. De kwartierdata belangrijker dan de artist impression. De afnemer belangrijker dan het theoretische aantal huishoudens.
Dat is geen slecht nieuws. Het is volwassenwording. De energietransitie heeft lang kunnen groeien dankzij subsidies, standaardcontracten en de gedachte dat nieuwe infrastructuur uiteindelijk vanzelf zou volgen. Maar techniek kan sneller worden besteld dan een elektriciteitsnet kan worden gebouwd. Een zonnepark kan binnen een jaar worden gerealiseerd. Een nieuwe hoogspanningsverbinding kost soms een volledige politieke loopbaan, inclusief afscheidstoespraak en lintje.
We kunnen de netbeheerders verwijten dat zij niet snel genoeg bouwen, en soms is daar best iets voor te zeggen. Maar zelfs wanneer alle procedures morgen worden gehalveerd en iedere beschikbare technicus wordt voorzien van een schep, een helm en onbeperkte koffie, blijft het onmogelijk om het net sneller uit te breiden dan onze gezamenlijke elektriciteitsbehoefte groeit.
Dus moeten projecten slimmer worden. Voor NRG2all betekent dit dat wij niet meer beginnen met de vraag hoeveel megawatt er op een terrein past. De eerste vraag is wat het lokale energiesysteem nodig heeft. Welke bedrijven zitten in de omgeving? Hoe lopen hun verbruiksprofielen? Kunnen productie en afname fysiek of contractueel met elkaar worden verbonden? Is een directe verbinding mogelijk? Is opslag technisch én economisch zinvol? Kunnen bedrijven transportcapaciteit delen? Kan bestaand verbruik worden verschoven? En hoeveel extra netruimte blijft er werkelijk nodig nadat het project als energiesysteem is ontworpen?
Dat is ingewikkelder dan panelen intekenen op een luchtfoto. Het levert ook minder aantrekkelijke dronebeelden op. Een goed afgestemd verbruiksprofiel doet het slecht op LinkedIn.
Maar ingewikkeld is niet hetzelfde als onmogelijk. Het betekent vooral dat de tijd van solitaire energieprojecten voorbij is. De toekomst is aan combinaties: productie met afname, zon met wind, opslag met flexibiliteit, publieke infrastructuur met private oplossingen en ontwikkelaars met partijen die begrijpen wat er achter de meter gebeurt.
Daarbij moeten we oppassen dat ‘energiehub’ niet het nieuwe toverwoord wordt waarmee ieder probleem tijdelijk uit beeld verdwijnt. Niet ieder bedrijventerrein is automatisch geschikt. Niet ieder verbruiksprofiel vult het andere netjes aan. En een groep bedrijven die allemaal tussen acht en vijf stroom nodig heeft, vormt nog geen energiesysteem omdat iemand er een mooi schema met gekleurde pijlen van heeft gemaakt.
Een energiehub werkt pas wanneer partijen bereid zijn meer te delen dan een vergaderruimte. Data, capaciteit, flexibiliteit, contractuele verplichtingen en soms ook risico. Precies daar wordt het spannend. Iedereen is voor samenwerking totdat de eigen productie moet worden aangepast omdat de buurman de piek veroorzaakt.
Toch ligt daar de oplossing. Niet in nog meer losse aanvragen, maar in betere samenhang. Niet in het reserveren van zoveel mogelijk capaciteit, maar in het aantonen dat iedere aangevraagde megawatt noodzakelijk is. Niet in hopen dat de wachtrij oplost, maar in projecten die minder afhankelijk worden van die wachtrij.
Begin januari 2027 wordt de capaciteit die na de maatschappelijke prioritering nog resteert, beschikbaar gesteld aan andere partijen op de wachtlijst. Voor zover er dan nog iets over is. Dat laatste zinnetje verdient meer aandacht dan het doorgaans krijgt.
Want een wachtlijst is geen energiestrategie. Hoop ook niet. En een aanvraag indienen om vervolgens jarenlang boos naar de netbeheerder te kijken, levert opvallend weinig elektriciteit op.
We zullen moeten accepteren dat de stekker geen mensenrecht is. Hij is een toegangsbewijs tot een systeem dat alleen blijft functioneren wanneer niet iedereen tegelijkertijd naar binnen probeert te rennen.
Wie vooruit wil, moet daarom niet alleen een betere plek op de wachtlijst bemachtigen. Hij moet een project bouwen waarvoor het systeem zelf ruimte wil maken.
Bronnen
Type: blog Datum: 02-07-2026
Type: blog Datum: 09-03-2026
Type: nieuws Datum: 04-03-2026
Type: blog Datum: 02-03-2026